Uitspraak
wonende te [woonplaats],
wonende te [woonplaats],
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van de ontvankelijkheid
4.Beslissing
29 april 2016.
Hoge Raad
In deze zaak heeft de man cassatieberoep ingesteld tegen een beschikking van het gerechtshof Den Haag in een echtscheidingsprocedure. De vrouw heeft geen verweerschrift ingediend. De Procureur-Generaal heeft geadviseerd het cassatieberoep niet-ontvankelijk te verklaren op grond van artikel 80a lid 1 RO.
De Hoge Raad heeft het cassatieberoep inhoudelijk niet behandeld omdat de klachten klaarblijkelijk onvoldoende belang toekomen aan de appellant en bovendien niet tot cassatie kunnen leiden. Dit oordeel volgt uit de beoordeling van de ontvankelijkheid, waarbij de Hoge Raad het advies van de Procureur-Generaal heeft gevolgd.
De uitspraak betreft een beschikking waarbij het cassatieberoep niet-ontvankelijk wordt verklaard, zodat de uitspraak van het gerechtshof in stand blijft. De zaak betreft een echtscheiding waarbij duurzame ontwrichting aan de orde was, en het novum in cassatie werd besproken. De Hoge Raad heeft hiermee bevestigd dat niet elk cassatieberoep ontvankelijk is, vooral wanneer het belang ontbreekt of de klachten kennelijk niet slagen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan belang en omdat de klachten niet tot cassatie kunnen leiden.