Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Beoordeling van het derde middel
4.Slotsom
5.Beslissing
26 april 2016.
Hoge Raad
De verdachte stelde beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag waarin hij was veroordeeld tot een gevangenisstraf van 36 maanden. De advocaat-generaal concludeerde tot vernietiging van het arrest uitsluitend wat betreft de strafmaat en tot vermindering van de straf. De Hoge Raad oordeelde dat de middelen van cassatie niet tot vernietiging konden leiden, behalve dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM Pro was overschreden doordat stukken te laat door het hof werden ingezonden en de uitspraak meer dan zestien maanden na het instellen van het cassatieberoep plaatsvond.
Deze overschrijding van de redelijke termijn leidde tot een vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van 36 naar 32 maanden. De Hoge Raad vernietigde daarom het bestreden arrest uitsluitend voor wat betreft de strafduur en verwierp het beroep voor het overige. De uitspraak werd gedaan door de vice-president en twee raadsheren tijdens een openbare terechtzitting op 26 april 2016.
Uitkomst: De gevangenisstraf van 36 maanden is verminderd tot 32 maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn in cassatie.