Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
4.Slotsom
5.Beslissing
26 april 2016.
Hoge Raad
De Hoge Raad behandelde het cassatieberoep van verdachte tegen het arrest van het Gerechtshof Amsterdam in een zaak betreffende doodslag. De advocaat-generaal had geconcludeerd tot vernietiging van het arrest uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, met vermindering daarvan, en verwerping van het beroep voor het overige.
De Hoge Raad oordeelde dat de middelen van cassatie niet tot vernietiging konden leiden, behalve dat ambtshalve moest worden beoordeeld of de redelijke termijn was overschreden. Gezien de voorlopige hechtenis van de verdachte en het verstrijken van meer dan zestien maanden sinds het instellen van het cassatieberoep, werd de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM Pro overschreden.
Dit leidde tot vermindering van de gevangenisstraf van achttien jaar naar zeventien jaar en tien maanden. Voor het overige werd het beroep verworpen en het arrest van het gerechtshof bekrachtigd.
De uitspraak werd gedaan door de vice-president en twee raadsheren van de Hoge Raad, uitgesproken tijdens een openbare terechtzitting op 26 april 2016.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd tot zeventien jaar en tien maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn.