Uitspraak
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de
Rechtbank Den Haagvan 11 september 2015, nr. SGR 15/3844 V, op het verzet van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank van 7 augustus 2015.
Hoge Raad
In deze bestuursrechtelijke belastingzaak heeft de Hoge Raad het beroep in cassatie van belanghebbende tegen eerdere uitspraken van de Rechtbank Den Haag beoordeeld. Het cassatieberoep betrof een verzet tegen een uitspraak van de rechtbank.
De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen. Dit was omdat belanghebbende klaarblijkelijk onvoldoende belang had bij het cassatieberoep of omdat de klachten evident niet tot cassatie konden leiden. Op grond hiervan en na advies van de Procureur-Generaal werd het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaard.
De uitspraak werd gedaan door raadsheer C. Schaap als voorzitter, samen met raadsheren Th. Groeneveld en M.E. van Hilten, en in het openbaar uitgesproken op 22 april 2016.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende belang of omdat de klachten niet tot cassatie kunnen leiden.