Belanghebbende was in 2013 feitelijke gebruiker van een woning in Rotterdam en bood wekelijks huishoudelijk afval ter inzameling aan. De gemeente Rotterdam inzamelde het afval, maar het gft-afval werd niet afzonderlijk ingezameld, zoals voorgeschreven in artikel 10.21, lid 2, van de Wet milieubeheer. Belanghebbende betwistte de aanslag afvalstoffenheffing op grond van deze niet-naleving en stelde dat de verordening onverbindend was.
Het Gerechtshof Den Haag verwierp deze stelling en oordeelde dat de gemeente wel voldeed aan de verplichting tot inzameling van huishoudelijk afvalstoffen, ook al werd het gft-afval niet apart ingezameld. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en stelt dat hoewel de gemeente niet voldeed aan de afzonderlijke inzameling van gft-afval, deze schending onvoldoende gewicht heeft om de verordening onverbindend te verklaren.
De Hoge Raad benadrukt dat de afwijkingsmogelijkheden in artikel 10.26 Wet milieubeheer niet toestaan dat de gescheiden inzameling van gft-afval volledig achterwege blijft, maar dat de feitelijke wekelijkse inzameling van alle huishoudelijke afvalstoffen voldoende is om de aanslag te handhaven. Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en de aanslag blijft in stand.