Uitspraak
[klaagster 2], gevestigd te [plaats] .
1.Geding in cassatie
3.Slotsom
4.Beslissing
12 april 2016.
Hoge Raad
In deze zaak stond de beoordeling van het civiel- en strafrechtelijk derdenbeslag op een banktegoed centraal. De Rechtbank Noord-Nederland had geoordeeld dat klagers geen materieel belang hadden bij opheffing van het strafrechtelijk beslag, mede gelet op het civielrechtelijk beslag. De Hoge Raad oordeelde echter dat de rechtbank ten onrechte niet had voldaan aan de toetsingsmaatstaven van art. 94a Sv en art. 552a Sv.
De Hoge Raad stelde vast dat indien de rechtbank het beklag gegrond acht, zij niet slechts het beslag mag opheffen maar een last moet geven die overeenkomt met het gegrond verklaren van het beklag. Daarbij is het niet relevant of aan die last daadwerkelijk kan worden voldaan. De Hoge Raad benadrukte tevens de toepassing van de Conclusie Advocaat-Generaal over teruggave en de last aan de bewaarder volgens art. 119 Sv Pro.
Op grond van deze overwegingen vernietigde de Hoge Raad de bestreden beschikking en verwees de zaak terug naar de Rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Assen, voor een nieuwe behandeling en beslissing op de bestaande klaagschriften. Hiermee wordt beoogd dat het beslag op het banktegoed opnieuw wordt getoetst aan de correcte wettelijke maatstaven.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking en wijst de zaak terug voor herbeoordeling van het strafrechtelijk derdenbeslag op het banktegoed.