Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3. Beslissing
12 april 2016.
Hoge Raad
De verdachte, geboren in 1961, stelde beroep in cassatie in tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 28 februari 2014, waarin hij was veroordeeld voor het bezit van hennep en hasj.
Namens de verdachte diende advocaat R.J. Baumgardt middelen van cassatie in. De Advocaat-Generaal concludeerde dat het cassatieberoep niet-ontvankelijk verklaard moest worden op grond van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie (RO).
De Hoge Raad oordeelde dat de klachten onvoldoende belang bij cassatie rechtvaardigen of niet tot cassatie kunnen leiden. Daarom werd het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Tevens werd aandacht besteed aan de klacht over overschrijding van de redelijke termijn in de cassatieprocedure, welke niet tot ontvankelijkheid leidde.
Het arrest werd gewezen door de vice-president van Schendel als voorzitter en raadsheren Van den Brink en Van Strien, en uitgesproken op 12 april 2016.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende belang en gebrek aan cassatiegronden.