Belanghebbende stelde beroep in cassatie in tegen het arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, waarin het hof de bezwaren van belanghebbende tegen de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bpm) niet-ontvankelijk verklaarde. Het hof vond dat alleen de kentekenhouder zelf bezwaar kan maken tegen de bpm-betaling, omdat betaling door een ander namens de kentekenhouder geschiedt.
De Hoge Raad overwoog dat het oordeel van het hof niet in stand kan blijven, mede gelet op een gelijktijdig gewezen arrest (nr. 15/00566) met dezelfde partijen. Omdat de Inspecteur de bezwaren niet inhoudelijk had beoordeeld, vernietigde de Hoge Raad ook de uitspraak van de Rechtbank en de Inspecteur en droeg de Inspecteur op om opnieuw uitspraken te doen op de bezwaarschriften van belanghebbende.
Verder veroordeelde de Hoge Raad de Staatssecretaris van Financiën en de Inspecteur in proceskosten en legde zij een vergoeding van griffierechten en kosten van rechtsbijstand op aan de zijde van belanghebbende. Het arrest werd gewezen door de vice-president en vier raadsheren en in het openbaar uitgesproken op 15 januari 2016.