Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
22 maart 2016.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van betrokkene tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam over een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel uit de teelt van hennepplanten.
Het hof had vastgesteld dat betrokkene in de periode maart tot juni 2011 opzettelijk een hennepplantage met 350 planten exploiteerde en dat sprake was van ten minste één eerdere oogst. De ontnemingsvordering werd gebaseerd op een rapportage waarin de opbrengst en kosten van de hennepteelt waren berekend.
De verdediging had voorwaardelijke verzoeken ingediend voor nader onderzoek van een fles olijfolie, scharen, kalkafzetting in een waterton en stof op apparatuur, maar het hof besloot niet op deze verzoeken, mede omdat de verzoeken voorwaardelijk waren en de voorwaarden vervuld waren. De Hoge Raad oordeelt dat het hof verplicht was uitdrukkelijk te beslissen op deze verzoeken, maar dat het verzuim niet tot cassatie leidt omdat nader onderzoek niet meer mogelijk was en betrokkene daardoor niet in zijn belangen is geschaad.
De Hoge Raad bevestigt het oordeel van het hof en verwerpt het cassatieberoep, waarmee de ontnemingsvordering ongewijzigd blijft.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof Amsterdam wordt bekrachtigd.