Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
22 maart 2016.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 4 december 2014, waarin verdachte werd veroordeeld voor wederrechtelijke vrijheidsberoving met opzet. Het beroep in cassatie werd ingesteld door de verdachte, vertegenwoordigd door advocaat P.H.L.M. Souren.
De Advocaat-Generaal heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. De Hoge Raad oordeelt dat het middel niet tot cassatie kan leiden en dat, gelet op artikel 81, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, geen nadere motivering nodig is omdat het middel geen rechtsvragen oproept die van belang zijn voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
Het arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en A.L.J. van Strien. Het beroep wordt verworpen en het arrest van het gerechtshof blijft in stand.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte wordt verworpen en het arrest van het gerechtshof blijft in stand.