ECLI:NL:HR:2016:455

Hoge Raad

Datum uitspraak
18 maart 2016
Publicatiedatum
18 maart 2016
Zaaknummer
15/05775
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80a lid 1 ROArt. 79 lid 1 onder b RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring cassatieberoep wegens gebrek aan belang en niet-toetsing Egyptisch recht

In deze zaak heeft de man cassatieberoep ingesteld tegen meerdere beschikkingen van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in een familierechtelijke procedure. De vrouw heeft geen verweerschrift ingediend. De Procureur-Generaal heeft geadviseerd het cassatieberoep niet-ontvankelijk te verklaren op grond van artikel 80a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (RO).

De Hoge Raad heeft het cassatieberoep beoordeeld en geoordeeld dat de klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen. Dit omdat de cassatieklager klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep en omdat de klachten niet tot cassatie kunnen leiden, mede omdat het gaat om een klacht over de toepassing van Egyptisch recht, welke niet in cassatie wordt getoetst volgens artikel 79 lid 1 onder Pro b RO.

Op basis van artikel 80a lid 1 RO en het advies van de Procureur-Generaal heeft de Hoge Raad het beroep niet-ontvankelijk verklaard. De beschikking is gegeven door de raadsheren Van Buchem-Spapens (voorzitter), Snijders en Tanja-van den Broek en in het openbaar uitgesproken door raadsheer De Groot.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende belang en niet-toetsing van Egyptisch recht in cassatie.

Uitspraak

18 maart 2016
Eerste Kamer
15/05775
EV/LZ
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[de man],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr. P.J.Ph. Dietz de Loos,
t e g e n
[de vrouw],
wonende te [woonplaats],
VERWEERSTER in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de man en de vrouw.

1.Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de beschikking in de zaken 180379/FA RK 10-5331 en 179485/FA RK 10-4994 van de rechtbank Midden-Nederland van 5 augustus 2013;
b. de beschikkingen in de zaak 200.136.404/01 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 3 juni 2014, 3 februari 2015, 19 februari 2015 en 15 september 2015.
De beschikkingen van het hof zijn aan deze beschikking gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen de beschikkingen van het hof heeft de man beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De vrouw heeft geen verweerschrift ingediend.
Het standpunt van de Procureur-Generaal strekt tot het niet-ontvankelijk verklaren van het cassatieberoep op de voet van art. 80a RO.

3.Beoordeling van de ontvankelijkheid

De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden (zie het standpunt van de Procureur-Generaal onder 5).
De Hoge Raad zal daarom – gezien art. 80a lid 1 RO en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep niet-ontvankelijk verklaren.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, G. Snijders en T.H. Tanja-van den Broek, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op
18 maart 2016.