ECLI:NL:HR:2016:436

Hoge Raad

Datum uitspraak
18 maart 2016
Publicatiedatum
17 maart 2016
Zaaknummer
15/02780
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatieAlgemene wet inzake rijksbelastingen art. 6Algemene wet inzake rijksbelastingen art. 8Wet op de loonbelasting 1964 art. 6Wet op de loonbelasting 1964 art. 32
Verwijzingen
6 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart beroep in cassatie ongegrond inzake loonbelasting naheffingsaanslag

Belanghebbende stelde beroep in cassatie in tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 5 juni 2015, waarin het hoger beroep tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant werd behandeld. De zaak betrof een naheffingsaanslag loonbelasting/premie volksverzekeringen over het jaar 2006, inclusief een boetebeschikking en een beschikking inzake heffingsrente.

De Hoge Raad ontving de middelen van belanghebbende en het verweerschrift van de Staatssecretaris van Financiën, waarna belanghebbende een conclusie van repliek indiende. Na beoordeling concludeerde de Hoge Raad dat de middelen niet tot cassatie konden leiden en dat nadere motivering niet nodig was, aangezien geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling aan de orde waren.

De Hoge Raad wees tevens af om proceskosten toe te wijzen en verklaarde het beroep in cassatie ongegrond. Het arrest werd op 18 maart 2016 in het openbaar uitgesproken door de raadsheren Schaap, Fierstra en Wortel.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard door de Hoge Raad.

Uitspraak

18 maart 2016
Nr. 15/02780
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
[X]te
[Z], Verenigde Arabische Emiraten(hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof 's-Hertogenboschvan 5 juni 2015, nr. 13/00607, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nr. AWB 12/687) betreffende de aan belanghebbende over het jaar 2006 opgelegde naheffingsaanslag in de loonbelasting/premie volksverzekeringen, de daarbij gegeven boetebeschikking en de daarbij gegeven beschikking inzake heffingsrente.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld en daarbij een aantal middelen voorgesteld.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

2.Beoordeling van de middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer C. Schaap als voorzitter, en de raadsheren M.A. Fierstra en J. Wortel, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2016.