ECLI:NL:HR:2016:41

Hoge Raad

Datum uitspraak
15 januari 2016
Publicatiedatum
14 januari 2016
Zaaknummer
14/04106
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 lid 1 Wet BPM 1992Art. 1 lid 2 Wet BPM 1992Art. 5 lid 1 Wet BPM 1992Art. 6 lid 1 Wet BPM 1992Art. 19 lid 3 AWR
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevoegdheid tot bezwaar maken tegen BPM-betaling door ander dan kentekenhouder

Belanghebbende heeft in 2011 voor een auto uit een andere lidstaat namens een derde de kentekenaanvraag gedaan en de BPM-aangifte ingediend. De BPM is door de kentekenhouder betaald. Belanghebbende maakte bezwaar tegen de BPM-betaling, maar dit werd door de Inspecteur niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een volmacht.

Het Hof stelde dat de kentekenhouder belastingplichtig is en dat belanghebbende zonder volmacht niet bevoegd was bezwaar te maken. De Hoge Raad herroept dit oordeel en stelt dat op grond van artikel 7, lid 1, Wet BPM 1992 de ander die de kentekenaanvraag doet namens de kentekenhouder handelt en dus zonder aparte volmacht bezwaar kan maken.

De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof en wijst de zaak terug voor verdere behandeling. Tevens veroordeelt de Hoge Raad de Staatssecretaris van Financiën in de proceskosten en vergoedingen. Dit arrest verduidelijkt de bevoegdheid tot bezwaar maken bij BPM-betalingen in situaties waarbij een ander dan de kentekenhouder de aangifte doet.

Uitkomst: De Hoge Raad oordeelt dat degene die namens de kentekenhouder BPM-aangifte doet zonder aparte volmacht bezwaar kan maken tegen de BPM-betaling en wijst de zaak terug voor verdere behandeling.

Uitspraak

15 januari 2016
nr. 14/04106
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
[X] B.V.te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof Den Haagvan 25 juli 2014, nr. BK‑13/00650, op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nrs. SGR 12/6638 tot en met SGR 12/6714) betreffende een op aangifte voldaan bedrag aan belasting van personenauto’s en motorrijwielen. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
De Staatssecretaris heeft een conclusie van dupliek ingediend.

2.Beoordeling van de middelen

2.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1.
Belanghebbende heeft in het onderhavige jaar (2011) voor een uit een andere lidstaat afkomstige personenauto (hierna: de auto) ten behoeve van een andere persoon de aanvraag voor de inschrijving in het kentekenregister gedaan. Belanghebbende heeft tevens op de voet van artikel 7, lid 1, van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (hierna: de Wet) voor de auto aangifte gedaan voor de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: bpm). De volgens die aangifte verschuldigde bpm is door de beoogde kentekenhouder aan de belastingdienst overgemaakt. Vervolgens is het kenteken van de auto gesteld op naam van deze persoon (hierna: de kentekenhouder).
2.1.2.
Belanghebbende heeft tegen het voor de auto voldane bedrag aan bpm (hierna: het voldane bedrag aan bpm) bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, omdat belanghebbende desgevraagd geen machtiging van de kentekenhouder heeft overgelegd waaruit blijkt dat zij is gemachtigd om namens de kentekenhouder tegen het voldane bedrag aan bpm bezwaar te maken.
2.2.
Het Hof heeft vooropgesteld dat met betrekking tot het in artikel 1, lid 2, van de Wet omschreven belastbare feit op grond van de hoofdregel in artikel 5, lid 1, van de Wet de toekomstige kentekenhouder belastingplichtig is. Uit de parlementaire geschiedenis van de Wet heeft het Hof afgeleid dat ingeval de kentekenhouder niet zelf een kenteken aanvraagt maar de importeur dat doet, die importeur ingevolge artikel 7, lid 1, van de Wet namens de toekomstige kentekenhouder en voor diens rekening is gehouden tot voldoening op aangifte van de bpm. Dit brengt mee, aldus het Hof, dat de bpm geacht moet worden door de kentekenhouder te zijn voldaan. Dit een en ander brengt naar het oordeel van het Hof mee dat belanghebbende, die namens de kentekenhouder alleen de aangifte voor de bpm heeft gedaan, niet kan worden aangemerkt als degene door wie de belasting op aangifte is voldaan als bedoeld in de artikelen 26 en 26a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: de AWR), zodat belanghebbende zonder een daartoe strekkende volmacht van de kentekenhouder niet bevoegd is bezwaar te maken tegen het voldane bedrag aan bpm. Naar het oordeel van het Hof heeft de Inspecteur daarom terecht de bezwaren van belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard.
2.3.
Middel III is gericht tegen de hiervoor in 2.2 omschreven oordelen van het Hof en betoogt dat belanghebbende de bevoegdheid heeft bezwaar te maken tegen de voldoening van de bpm zonder een daartoe strekkende volmacht van de kentekenhouder.
2.4.
Met betrekking tot het in artikel 1, lid 2, van de Wet omschreven belastbare feit wordt krachtens artikel 5, lid 1, van de Wet de bpm geheven van degene op wiens naam het kenteken wordt dan wel is gesteld. Deze moet de belasting op aangifte voldoen (artikel 6, lid 1, van de Wet, gelezen in samenhang met artikel 19, lid 3, van de AWR). Volgens de in 2011 geldende tekst van artikel 7, lid 1, van de Wet is ingeval voor een personenauto of motorrijwiel de aanvraag voor de opgave van een kenteken geschiedt door een ander dan degene op wiens naam het kenteken wordt gesteld, in afwijking van artikel 19, lid 3, van de AWR, die ander gehouden de belasting op aangifte te voldoen namens degene op wiens naam het kenteken wordt gesteld. In dat geval heeft degene op wiens naam het kenteken wordt gesteld, op grond van artikel 26a, lid 1, letter b, van de AWR het recht tegen de voldoening op aangifte bezwaar te maken. Dit recht komt ook toe aan de hiervoor bedoelde ander namens degene op wiens naam het kenteken wordt gesteld (zie voor dit een en ander HR 29 augustus 2000, nr. 35501, ECLI:NL:HR:2000:AA6929, BNB 2000/357, onderdeel 3.3).
Uitgaande van hetgeen artikel 7, lid 1, van de Wet bepaalt, te weten dat de aldaar bedoelde ‘ander’ van rechtswege handelt namens degene op wiens naam het kenteken wordt gesteld, behoeft die ander niet daarenboven te beschikken over een door degene op wiens naam het kenteken wordt gesteld gegeven volmacht om bezwaar te maken. Dit is niet anders wanneer de bpm feitelijk is betaald door degene op wiens naam het kenteken wordt gesteld. Het oordeel van het Hof dat belanghebbende zonder een daartoe strekkende volmacht van de kentekenhouder niet bevoegd is bezwaar te maken tegen het voldane bedrag aan bpm, getuigt daarom van een onjuiste rechtsopvatting. Middel III slaagt.
2.5.
Gelet op hetgeen hiervoor in 2.4 is overwogen kan ’s Hofs uitspraak niet in stand blijven. De overige middelen behoeven geen behandeling. Uit het proces-verbaal van de zitting van het Hof van 28 maart 2014 blijkt dat partijen het erover eens zijn dat ingeval het door belanghebbende bij de Inspecteur ingediende bezwaarschrift ontvankelijk is, belanghebbende namens degene op wiens naam het kenteken wordt gesteld recht heeft op een teruggaaf van € 2910 aan bpm. Verwijzing moet volgen voor de behandeling van de door het Hof onbehandeld gelaten geschilpunten met betrekking tot de proceskostenvergoeding en het verzoek om vergoeding van immateriële schade.

3.Proceskosten

De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof,
wijst het geding terug naar het Gerechtshof Den Haag ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,
gelast dat de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht ten bedrage van € 493, en gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende vergoedt het bij het Hof betaalde griffierecht ter zake van de behandeling van de zaak voor het Hof ten bedrage van € 478, en
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1984 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren D.G. van Vliet, E.N. Punt, P.M.F. van Loon en L.F. van Kalmthout, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 15 januari 2016.