Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van de derde middel
4.Beoordeling van de middelen voor het overige
5.Slotsom
6.Beslissing
15 maart 2016.
Hoge Raad
In deze cassatiezaak heeft de Hoge Raad het arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 12 februari 2014 deels vernietigd. Het hof had geoordeeld dat verdachte tijdens zijn verhoor door de politie terecht als getuige en niet als verdachte was aangemerkt, waardoor het recht op advocaat voorafgaand aan het verhoor niet van toepassing was. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en stelt dat er op dat moment geen redelijk vermoeden van schuld bestond.
De verklaring van verdachte, afgelegd op 26 augustus 2010, is daarmee toelaatbaar als bewijs. De Hoge Raad wijst erop dat de politie verdachte niet als aangehouden verdachte heeft beschouwd en dat de omstandigheden en mededelingen tijdens het verhoor dit ondersteunen. De verdediging voerde aan dat de Salduz-norm was geschonden, maar dit verweer faalt.
Daarnaast oordeelt de Hoge Raad dat de redelijke termijn voor de cassatieprocedure is overschreden, wat leidt tot een vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van vijf naar vier jaar en zes maanden. Voor de overige middelen wordt het beroep verworpen. De Hoge Raad vernietigt het hofarrest uitsluitend voor wat betreft de strafoplegging en spreekt het arrest uit op 15 maart 2016.
Uitkomst: De straf van vijf jaar gevangenisstraf is verminderd tot vier jaar en zes maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn, terwijl de verklaring van verdachte als getuige toelaatbaar blijft.