Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
8 maart 2016.
Hoge Raad
De zaak betreft een verzoek tot verlof tot tenuitvoerlegging in Nederland van een Italiaanse rechterlijke beslissing tot verbeurdverklaring van een geldbedrag van € 402.340,- dat in Nederland in beslag was genomen. De veroordeelde was in Nederland vrijgesproken van witwassen van dit bedrag, maar in Italië veroordeeld wegens deelname aan een criminele organisatie en internationale handel in cocaïne. De Italiaanse rechter sprak hem vrij van witwassen, maar legde verbeurdverklaring op van het geldbedrag.
De verdediging stelde dat tenuitvoerlegging in Nederland niet mogelijk was vanwege het ne bis in idem-beginsel, omdat de veroordeelde in beide landen was vrijgesproken van witwassen van hetzelfde geldbedrag. De rechtbank oordeelde echter dat het ne bis in idem-beginsel niet werd geschonden, omdat het in Italië opgelegde vonnis betrekking had op andere feiten (deelname aan criminele organisatie en drugshandel) dan het witwassen waarvoor in Nederland was vrijgesproken.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verwierp het cassatieberoep. De Raad benadrukte dat de verschillende strafbare feiten verschillende rechtsgoederen beschermen en daarom niet als hetzelfde feit in de zin van artikel 7 WOTS Pro en artikel 68 Sr Pro kunnen worden beschouwd. Ook stelde de Hoge Raad dat de verbeurdverklaring in Italië onmiskenbaar ziet op geld dat is verdiend met deelname aan de criminele organisatie, en dat de tenuitvoerlegging daarvan in Nederland niet leidt tot dubbele vervolging.
Verder verwierp de Hoge Raad het verzoek tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de EU. De uitspraak bevestigt de mogelijkheid tot tenuitvoerlegging van buitenlandse strafrechtelijke sancties, mits het ne bis in idem-beginsel niet wordt geschonden.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat het ne bis in idem-beginsel niet is geschonden bij tenuitvoerlegging van de Italiaanse verbeurdverklaring.