ECLI:NL:HR:2016:366

Hoge Raad

Datum uitspraak
4 maart 2016
Publicatiedatum
3 maart 2016
Zaaknummer
15/00214
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 RO
Verwijzingen
3 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt afwikkeling huwelijkse voorwaarden bij misbruik van omstandigheden

De zaak betreft een geschil tussen een vrouw en een man over de afwikkeling van huwelijkse voorwaarden binnen het personen- en familierecht. De vrouw stelde misbruik van omstandigheden aan de orde en voerde daarbij stelplicht en bewijslast aan. De procedure doorliep meerdere instanties, waaronder de rechtbank Breda en het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, die eerder arresten hebben gewezen.

De vrouw stelde beroep in cassatie in tegen de arresten van het hof van 31 december 2013 en 9 september 2014. De man verscheen niet in cassatie, waardoor verstek werd verleend. De Advocaat-Generaal adviseerde het beroep te verwerpen, hetgeen de Hoge Raad volgde. De Hoge Raad oordeelde dat de klachten van de vrouw geen aanleiding geven tot cassatie en dat geen nadere motivering nodig is omdat geen rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of rechtsontwikkeling aan de orde zijn.

De Hoge Raad wees het beroep af en bepaalde dat iedere partij haar eigen kosten draagt. Dit arrest bevestigt de eerdere rechtspraak over de stelplicht en bewijslast bij een beroep op misbruik van omstandigheden in de context van huwelijkse voorwaarden.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de eerdere arresten over de afwikkeling van huwelijkse voorwaarden.

Uitspraak

4 maart 2016
Eerste Kamer
15/00214
LZ/EE
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[de vrouw],
wonende te [woonplaats],
EISERES tot cassatie,
advocaat: mr. S. Kousedghi,
t e g e n
[de man],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de vrouw en de man.

1.Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de vonnissen in de zaak 208705/HA ZA 09-1670 van de rechtbank Breda van 25 november 2009, 9 juni 2010 en 8 september 2010;
b. de arresten in de zaak HD 200.078.771/01 van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 8 februari 2011, 31 december 2013 en 9 september 2014.
De arresten van het hof zijn aan dit arrest gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen de arresten van het hof van 31 december 2013 en 9 september 2014 heeft de vrouw beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Tegen de man is verstek verleend.
De zaak is voor de vrouw toegelicht door haar advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot verwerping van het beroep.
De advocaat van de vrouw heeft bij brief van 18 december 2015 op die conclusie gereageerd.

3.Beoordeling van het middel

De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
compenseert de kosten van het geding in cassatie aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, C.A. Streefkerk en T.H. Tanja-van den Broek, en in het openbaar uitgesproken door de vice-president E.J. Numann op
4 maart 2016.