Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3. Beslissing
13 december 2016.
Hoge Raad
De Hoge Raad behandelde het cassatieberoep van verdachte tegen het arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin hij werd veroordeeld voor medeplegen van het illegaal aftappen van elektriciteit ten behoeve van een hennepplantage.
Het hof had het vonnis van de Politierechter bevestigd, waarbij verdachte werd bewezen verklaard dat hij samen met een ander in de periode van 15 september tot en met 10 november 2014 illegaal stroom afnam door middel van verbreking van de elektriciteitsmeter in een pand te Enschede. De Hoge Raad oordeelde echter dat de bewezenverklaring onduidelijk was omdat niet werd vermeld welke gedraging verdachte precies werd verweten en dat de bewijsmiddelen onvoldoende steun boden voor de kwalificatie van medeplegen.
De Hoge Raad verwees naar het overzichtsarrest van 2 december 2014 over de bewijsbaarheid van medeplegen en stelde dat uit de bewijsmiddelen niet bleek dat verdachte een intellectuele of materiële bijdrage van voldoende gewicht had geleverd aan het delict. Ook was niet aannemelijk dat de illegale stroomafname gedurende de gehele bewezenverklaarde periode had plaatsgevonden. Daarom verklaarde de Hoge Raad het cassatieberoep niet-ontvankelijk en vernietigde het arrest van het hof.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard vanwege onvoldoende belang en onduidelijke bewezenverklaring medeplegen illegale stroomaftap.