Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3. Beslissing
13 december 2016.
Hoge Raad
Verdachte is door het Gerechtshof Amsterdam veroordeeld tot een gevangenisstraf van zeven maanden, waarvan twee maanden voorwaardelijk, wegens valsheid in geschrifte. Het hoger beroep betrof uitsluitend de strafmaat. Verdachte erkende de feiten en wilde deze niet betwisten in hoger beroep.
De verdediging voerde een strafmaatverweer met verwijzing naar de LOVS-oriëntatiepunten en vroeg om een lagere straf, mede vanwege persoonlijke omstandigheden en de uitkomst van een civiele procedure. Het Hof legde echter een hogere straf op dan de LOVS-richtlijnen voorschrijven zonder dit gemotiveerd te verklaren.
De Hoge Raad oordeelt dat het Hof had moeten reageren op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging en dat het ontbreken van een begrijpelijke motivering een schending van de responsieplicht inhoudt. Desondanks verklaart de Hoge Raad het cassatieberoep niet-ontvankelijk wegens onvoldoende belang bij cassatie en omdat de klachten niet tot cassatie kunnen leiden.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende belang en niet-toereikende klachten.