ECLI:NL:HR:2016:3386

Hoge Raad

Datum uitspraak
13 december 2016
Publicatiedatum
3 maart 2017
Zaaknummer
16/00022
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Artikel 80a RO-zaken
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80a ROArt. 415 SvArt. 348 SvArt. 349 SvArt. 588 Sv
Verwijzingen
5 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep wegens onjuiste betekening dagvaarding

In deze strafzaak heeft de verdachte cassatieberoep ingesteld tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De verdediging voerde aan dat de dagvaarding voor de terechtzitting in hoger beroep niet rechtsgeldig was betekend, omdat het adres in de dagvaarding niet overeenkwam met het feitelijke en ingeschreven adres van de verdachte.

De Hoge Raad heeft onderzocht of de betekening van de dagvaarding aan de verdachte correct was uitgevoerd. Uit het dossier bleek dat de dagvaarding niet aan de verdachte persoonlijk was betekend en ook niet was verzonden naar zijn feitelijke verblijfadres, terwijl dit adres bekend was bij de rechtbank. Hierdoor was het voorschrift van artikel 588 lid 1 aanhef Pro en onder b sub 2 Sv geschonden.

De Hoge Raad concludeerde dat door deze onjuiste betekening de dagvaarding nietig was en dat de verdachte daardoor onvoldoende in de gelegenheid was gesteld om zijn rechtspositie te behartigen. Gezien dit gebrek en het ontbreken van een voldoende belang bij het cassatieberoep, verklaarde de Hoge Raad het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak benadrukt het belang van correcte betekening van processtukken en de gevolgen van het niet naleven van deze voorschriften voor de ontvankelijkheid van cassatieberoepen.

Uitkomst: Het cassatieberoep is niet-ontvankelijk verklaard wegens onjuiste betekening van de dagvaarding.

Uitspraak

13 december 2016
Strafkamer
nr. S 16/00022
LBS
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, van 19 mei 2015, nummer 21/005047-14, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1966.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft R. Zwiers, advocaat te Almere, een schriftuur ingediend. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.
De Hoge Raad zal daarom – gezien art. 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep niet-ontvankelijk verklaren.

3. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
13 december 2016.
Schriftuur houdende middelen van cassatie
Geeft eerbiedig te kennen:
[verdachte], thans zonder vaste woonplaats, feitelijk verblijvende te 8251 HS Dronten aan de Oeverloper 373, verzoeker tot cassatie van een hem betreffend arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden, in de zaak met ressortsparketnummer 21/005047-14 uitgesproken op 19 mei 2015, draagt het volgende middel van cassatie voor:
Middel 1
1. Schending en/of verkeerde toepassing van het recht en/of verzuim van vormen waarvan de niet naleving nietigheid met zich meebrengt. In het bijzonder zijn de artikelen 415, juncto de artikelen 348, 349 en 588 e.v. Sv geschonden, doordat de betekeningsvoorschriften niet zijn nageleefd hetgeen nietigheid van de dagvaarding tot gevolg had behoren te hebben.

Toelichting

2. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting tevens houdende aantekening mondeling vonnis uit de eerste aanleg blijkt dat ten tijde van de zitting in eerste aanleg als adres van verzoeker tot cassatie bekend is, te weten [a-straat 1] te [woonplaats], zijnde het adres dat verzoeker ter terechtzitting in eerste aanleg heeft opgegeven.
De ter terechtzitting in eerste aanleg gedane vordering van de officier van justitie vermeldt echter het adres [b-straat 1] te [woonplaats]. Op laatst genoemd adres heeft verzoeker nimmer in de Basisregistratie Personen (BRP) ingeschreven gestaan. Niet is gebleken dat verzoeker dat adres als zijn feitelijke verblijfplaats heeft opgegeven. Dat adres staat evenwel tevens vermeld in de akte rechtsmiddel. Bij het instellen van hoger beroep is aan verzoeker niet gevraagd naar zijn adres. Kennelijk is het adres dat in de akte rechtsmiddel staat vermeld, vanuit een opgeslagen bestand afgedrukt in de akte rechtsmiddel. Bij het ondertekenen van de akte rechtsmiddel is deze onjuiste adresvermelding door verzoeker niet opgemerkt. Verzoeker heeft geruime tijd feitelijk verbleven op het adres [a-straat 1] te [woonplaats] en sedert 31 augustus 2015 heeft hij op dat adres ook ingeschreven gestaan in de BRP. Verzoeker is van de terechtzitting in hoger beroep onkundig geweest. De dagvaarding voor de terechtzitting in hoger beroep is niet aan verzoeker in persoon betekend en evenmin heeft hij op het hiervoor genoemde adres [a-straat 1] te [woonplaats] een afschrift van de dagvaarding voor het hoger beroep ontvangen.
Uit het proces-verbaal ter terechtzitting van het gerechtshof Arnhem- Leeuwarden blijkt dat verzoeker tot cassatie aldaar niet ter terechtzitting is verschenen voor de behandeling van zijn strafzaak in hoger beroep. Voorts blijkt uit de vermelding in dat proces-verbaal dat verzoeker op 19 mei 2015 geen vaste woon- of verblijfplaats in Nederland zou hebben gehad. Dat laatste is mede gezien het zittingsproces-verbaal uit de eerste aanleg, onjuist. Uit het dossier blijkt niet dat een afschrift van de dagvaarding voor de behandeling van de strafzaak in hoger beroep, is verzonden naar het adres [a-straat 1] te [woonplaats]. Het vorenstaande brengt mee dat het voorschrift van artikel 588 lid 1 aanhef Pro en onder b sub 2 Sv is geschonden, zodat geen rechtsgeldige betekening van de dagvaarding heeft plaatsgevonden.
Het vorenstaande brengt mee dat de uitspraak van het hof niet in stand behoort te blijven.