ECLI:NL:HR:2016:3379

Hoge Raad

Datum uitspraak
13 december 2016
Publicatiedatum
2 maart 2017
Zaaknummer
15/05800
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Artikel 80a RO-zaken
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80a ROArt. 350 SvArt. 359 lid 2 SvArt. 359 lid 3 SvArt. 359 lid 8 Sv
Verwijzingen
8 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart cassatieberoep niet-ontvankelijk wegens gebrek aan belang en onvoldoende motivering hof

Verdachte werd door het gerechtshof Den Haag veroordeeld voor het vermeend stelen van een fiets op 13 september 2014. Verdachte gaf aan dat hij de fiets slechts verplaatste en geen diefstalintentie had. De verdediging voerde aan dat het hof onvoldoende had gemotiveerd waarom de vrijspraakverzoeken en strafverminderingsgronden werden verworpen.

In cassatie stelde verdachte dat het hof in strijd met art. 350 en Pro 359 Sv niet op de verweren was ingegaan en dat dit nietigheid tot gevolg had. De Hoge Raad oordeelde dat het cassatieberoep niet ontvankelijk is omdat de klachten geen behandeling rechtvaardigen en het belang van verdachte onvoldoende is.

De Hoge Raad benadrukte dat het hof geen motivering gaf op de door de verdediging aangedragen omstandigheden, maar dat dit niet tot cassatie leidt in deze zaak. Het beroep werd daarom niet-ontvankelijk verklaard conform art. 80a RO. Het arrest werd uitgesproken door de strafkamer van de Hoge Raad op 13 december 2016.

Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende belang en onvoldoende gronden.

Uitspraak

13 december 2016
Strafkamer
nr. S 15/05800
SSA
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 11 december 2015, nummer 22/005488-14, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1956.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft N. Roos, advocaat te Rotterdam, een schriftuur ingediend. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.
De Hoge Raad zal daarom – gezien art. 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep niet-ontvankelijk verklaren.

3. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
13 december 2016.
Cassatieschriftuur in de strafzaak tegen O.E. PETRONELLA
Griffienummers : S 15/05800
Aan de Hoge Raad der Nederlanden te Den Haag
Geeft eerbiedig te kennen:
[verdachte] (geboren [geboortedatum] -1956), te dezer zake domicilie kiezende aan de Hillelaan 30 te Rotterdam (correspondentie: Postbus 51014, 3007 GA Rotterdam) ten kantore van de advocaat mr. N. Roos.
Dat requirant van cassatie van een hem betreffend arrest van het Gerechtshof Den Haag, uitgesproken op 11 december 2015, de navolgende middelen van cassatie voordraagt:
Het recht is geschonden en/of er zijn vormen verzuimd waarvan de niet-naleving nietigheid meebrengt. In het bijzonder zijn de artikelen 350 en 359 lid 2 en 3 van het Wetboek van Strafvordering geschonden.
Middel 1.
Door de verdediging is in hoger beroep bepleit - conform de aan het proces-verbaal van de terechtzitting gehechte pleitnotitie - dat cliënt dient te worden vrijgesproken. De verdediging heeft vrijspraak bepleit, zulks door middel van de navolgende motivering blijkens de aan het arrest gehechte pleitnota:
Cliënt wordt verweten dat hij een fiets zou hebben gestolen op 13 september 2014. Cliënt heeft van meet af aan aangegeven dat hij niet van plan was om de fiets te stelen, laat staan dat hij de fiets daadwerkelijk gestolen heeft.
Cliënt liep die dag over straat en heeft een in de weg staande fiets van de stoep naar de bosjes verplaatst. Cliënt ontkent dus niet dat hij de fiets heeft beetgepakt. Het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening ontbreekt echter volledig. Cliënt was niet van plan om de fiets te stelen. Zoals cliënt verklaarde bij de politie: “Ik ben geen fietsendief. Ik loop. Ik zie de fiets midden op de stoep. Ik verplaats hem. Ik ben bezig om mijn leven te verbeteren.”
Dat cliënt gereedschap bij zich had doet hier niet aan af. Immers, hij heeft deze gereedschappen niet gebruikt en er zitten geen stukken in het dossier waaruit blijkt dat de gereedschappen daadwerkelijk geschikt waren voor het stelen van een fiets. Daarbij komt dat geenszins sprake is van een voltooid delict, namelijk het wederrechtelijk toe-eigenen van de fiets. Cliënt heeft de fiets enkel opgetild. Wat hij daarmee ging doen heeft cliënt duidelijk verklaard.
De enige verklaring die hier tegenover staat is de verklaring van de aangever. Maar uit die verklaring is enkel te lezen dat cliënt de fiets verplaatste. Hieruit zou hooguit uit op kunnen worden gemaakt dat cliënt een poging heeft gedaan tot diefstal. Een poging tot diefstal is echter niet ten laste gelegd. Ik verzoek uw Hof daarom om mijn cliënt vrij te spreken.
Mocht uw Hof toch tot een bewezenverklaring komen, verzoek ik u subsidiair te volstaan met een afdoening ex artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, gezien de geringe ernst van het feit. Immers, cliënt heeft de fiets enkel een paar meter verder opgetild en weer neergezet. Het is geen typische fietsendiefstal zoals deze vaak voor komt, waarbij een fiets ineens spoorloos verdwenen is doordat hij in zijn geheel is weggenomen nadat het slot is opengebroken.
Het hof respondeert noch op de met argumenten onderbouwde verweren van de verdediging. Geconcludeerd dient derhalve te worden dat het Gerechtshof op geen enkele wijze gemotiveerd op de standpunten van de verdediging is ingegaan. Immers, de verdediging heeft vrijspraak bepleit alsmede een aantal omstandigheden aangedragen die het beroep op strafvermindering rechtvaardigen. Het Gerechtshof heeft op geen enkele wijze gemotiveerd waarom de door de verdediging aangedragen omstandigheden een dergelijk beroep niet rechtvaardigt. Door niettemin een straf op te leggen is zulks in strijd met de wet.
Op grond van de Wet van 10 november 2004, Stb. 2004, 580 dient de rechter zowel op de onderbouwde standpunten van de officier van justitie (als ook de Advocaat-Generaal) als van die van de verdediging ingaan. Deze wet is van kracht sedert 1 januari 2005 en heeft te gelden voor alle zaken waarin het onderzoek ter terechtzitting werd gesloten na de datum van de inwerkingtreding. Het onderzoek ter terechtzitting in onderhavige zaak is gesloten op 27 november 2015. Voornoemde wet is derhalve van toepassing op het in deze door het hof gewezen arrest. Het in het geheel niet responderen op gevoerde verweren en vanwege het OM betoogde standpunten is in strijd met voornoemde wet.
In dit kader wordt nog verwezen naar een eerdere uitspraak van Uw Raad d.d. 28 november 2006 (nr. 02597/05; NJ 2007 nr. 122). Uw Raad overweegt daar (3.4) “Hetgeen door de raadsvrouwe ter terechtzitting in hoger beroep is aangevoerd met betrekking tot de verklaringen van aangever kan bezwaarlijk anders worden verstaan dan als een standpunt dat duidelijk, door argumenten geschraagd en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie ten overstaan van het hof naar voren is gebracht. Het hof is in zijn arrest van dit uitdrukkelijk onderbouwde standpunt afgeweken door geen enkele motivering te geven ook niet middels een aanvulling als bedoeld in het derde lid van art. 359 lid Pro 3, maar heeft - in strijd met art. 359, tweede en derde lid Sv - niet in het bijzonder de redenen opgegeven die daartoe hebben geleid. Dat verzuim heeft ingevolge art. 359, achtste lid, Sv nietigheid tot gevolg.
Het bovenstaande brengt derhalve nietigheid met zich mede.