Belanghebbende, een besloten vennootschap, had beroep ingesteld tegen een uitspraak van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch betreffende een naheffingsaanslag omzetbelasting over de periode van 1 januari tot en met 31 december 2004, inclusief de beschikking inzake heffingsrente.
Na behandeling van het cassatieberoep door de Hoge Raad, waarbij de Staatssecretaris van Financiën een verweerschrift indiende en belanghebbende een conclusie van repliek, oordeelde de Hoge Raad dat de ingebrachte middelen niet tot cassatie konden leiden. Dit oordeel werd gegeven op grond van artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, waarbij geen nadere motivering nodig was omdat de middelen geen rechtsvragen opriepen die van belang waren voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
De Hoge Raad wees ook het verzoek tot veroordeling in proceskosten af, omdat daartoe geen gronden aanwezig waren.
Het arrest werd gewezen door de vice-president Overgaauw als voorzitter en de raadsheren Van Vliet en Punt, en in het openbaar uitgesproken op 15 januari 2016.