Uitspraak
[klager 2], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2007.
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
23 februari 2016.
Hoge Raad
In deze zaak stond de vraag centraal of het beslag op bankrekeningen, gesteld ten name van minderjarige klagers, terecht was gelegd in het kader van een ontnemingszaak tegen hun vader, verdachte van strafbare feiten. De rechtbank had geoordeeld dat hoewel de rekeningen op naam van de minderjarigen stonden, sprake was van een schijnconstructie om het verhaal op het vermogen dat feitelijk aan de verdachte toebehoort te frustreren.
De rechtbank stelde vast dat de bankrekeningen werden gebruikt als betaalrekeningen en dat de ouders/verzorgers handelden op een wijze die verder ging dan het beheer van het vermogen van de minderjarigen. Ook waren er aanwijzingen dat de stortingen afkomstig waren uit vermoedelijk illegale bronnen. De Hoge Raad oordeelde dat dit oordeel van de rechtbank niet onbegrijpelijk was en dat niet buiten redelijke twijfel kon worden vastgesteld dat de tegoeden aan de minderjarige klagers toebehoorden.
De Hoge Raad verwierp het middel van cassatie dat stelde dat de rechtbank onvoldoende had gemotiveerd dat aan de vereisten van art. 94a lid 3 Sv was voldaan. De wetenschap van de minderjarige klagers over de schijnconstructie was irrelevant omdat de rechtbank niet hoefde te onderzoeken of de situatie van art. 94a lid 3 of 4 Sv zich voordeed. De Hoge Raad bevestigde daarmee het beslag en verwierp het beroep in cassatie.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt verworpen en het beslag op de bankrekeningen van de minderjarige klagers blijft gehandhaafd.