Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Slotsom
4.Beslissing
23 februari 2016.
Hoge Raad
De betrokkene werd in hoger beroep door het Gerechtshof Den Haag veroordeeld tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, bestaande uit huuropbrengsten uit valse huurcontracten. Het hof baseerde zijn oordeel op diverse bewijsmiddelen, waaronder een rapport van de politie Zeeland, bankafschriften en verklaringen van betrokkenen.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof zonder nadere motivering niet begrijpelijk heeft geoordeeld dat de betrokkene uit het voorhanden hebben van valse huurcontracten wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. De motivering van het hof schiet tekort, met name ten aanzien van de waardering van de feiten en de berekening van het voordeel.
Daarom vernietigt de Hoge Raad het bestreden arrest en wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Den Haag voor een nieuwe beoordeling en beslissing op het bestaande hoger beroep. De overige middelen behoeven geen bespreking.
Uitkomst: Het arrest van het Gerechtshof Den Haag wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting.