Uitspraak
wonende te [woonplaats],
gevestigd te Den Haag,
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
4.Beslissing
23 december 2016.
Hoge Raad
In deze zaak stond centraal de vraag of een werknemer duidelijk moest zijn gemaakt wat met het ontslag op staande voet wegens diefstal werd bedoeld. De werknemer had tegen het ontslag geprocedeerd en het hof had het ontslag bevestigd. De werknemer stelde cassatieberoep in tegen deze beslissing.
De Hoge Raad verwijst naar de eerdere vonnissen en arresten van lagere instanties, waaronder het vonnis van de kantonrechter te Haarlem en de arresten van het gerechtshof Amsterdam. Na beoordeling van het cassatiemiddel oordeelt de Hoge Raad dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie kunnen leiden en dat geen nadere motivering nodig is omdat er geen rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling aan de orde zijn.
Het beroep wordt verworpen en de werknemer wordt veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding. De uitspraak bevestigt daarmee het ontslag op staande voet wegens diefstal en benadrukt dat de werknemer niet per se exact hoefde te begrijpen wat met het ontslag werd bedoeld om het rechtsgeldig te laten zijn.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het ontslag op staande voet wegens diefstal wordt bevestigd.