Belanghebbende had beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden over een naheffingsaanslag omzetbelasting voor het tijdvak 1 juli 2011 tot en met 30 september 2011.
De Hoge Raad beoordeelde de ontvankelijkheid van het cassatieberoep en stelde vast dat belanghebbende een beroep op betalingsonmacht had gedaan voor het griffierecht. De griffier van de Hoge Raad had belanghebbende meerdere malen schriftelijk verzocht om bewijs te leveren van zijn onvermogen tot betaling, maar de verstrekte informatie was onvoldoende om betalingsonmacht aan te tonen.
Ondanks een termijn van vier weken en meerdere aanmaningen werd het griffierecht niet voldaan. Belanghebbende kon ook geen geldige reden geven voor het niet tijdig betalen. Daarom verklaarde de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk op grond van artikel 8:41, lid 6, Awb.
De Hoge Raad achtte geen aanleiding om belanghebbende te veroordelen in de proceskosten. Het arrest werd in aanwezigheid van de genoemde raadsheren en de waarnemend griffier op 23 december 2016 uitgesproken.