Uitspraak
1.De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
2.De aanvraag tot herziening
3.Beoordeling van de aanvraag
4.Beslissing
20 december 2016.
Hoge Raad
De zaak betreft een aanvraag tot herziening van een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage uit 2000, waarbij de aanvrager werd veroordeeld voor medeplegen van opzettelijke overtreding van de Wet op de kansspelen. Het hof had vastgesteld dat de aanvrager in de periode van 1990 tot 1994 in een pand te 's-Gravenhage gelegenheid gaf aan het publiek om kansspelen te spelen zonder vergunning.
De aanvrager stelde dat niet hij, maar een ander de eigenaar-exploitant van het casino was, en dat dit tot vrijspraak zou moeten leiden. De Hoge Raad oordeelde dat het bewezenverklaarde feit als medeplegen was gekwalificeerd en dat de aangevoerde verklaringen geen nieuw ernstig vermoeden van onschuld opleverden. Bovendien was het hof reeds bekend met de stelling dat een ander de eigenaar-exploitant was.
De Hoge Raad concludeerde dat de aanvraag kennelijk ongegrond was en wees het verzoek tot herziening af. Hiermee bleef de veroordeling van de aanvrager in stand, inclusief de opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf en geldboete.
Uitkomst: De Hoge Raad wijst de aanvraag tot herziening af en bevestigt de veroordeling voor medeplegen van overtreding van de Wet op de kansspelen.