Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
20 december 2016.
Hoge Raad
De verdachte, geboren in 1968, stelde beroep in cassatie in tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 8 mei 2015 in een strafzaak betreffende de Opiumwet. Namens verdachte diende advocaat J.S. Nan een middel van cassatie in. De Advocaat-Generaal concludeerde tot verwerping van het beroep. De raadsman reageerde schriftelijk hierop.
De Hoge Raad oordeelde dat het middel niet tot cassatie kan leiden en dat, gelet op artikel 81, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, geen nadere motivering vereist is omdat het middel geen rechtsvragen oproept die van belang zijn voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
Het arrest werd gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter en de raadsheren H.A.G. Splinter-van Kan en A.L.J. van Strien. Het beroep werd verworpen en het arrest werd uitgesproken tijdens een openbare terechtzitting op 20 december 2016.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte wordt verworpen en het arrest van het Gerechtshof Amsterdam blijft in stand.