Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Beslissing
20 december 2016.
Hoge Raad
De betrokkene heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 1 juni 2015, waarin een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel tegen hem was toegewezen.
De Hoge Raad heeft het middel van cassatie beoordeeld dat door de advocaat van de betrokkene was ingediend. De Advocaat-Generaal heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. De Hoge Raad oordeelt dat het middel niet tot cassatie kan leiden en dat nadere motivering niet nodig is, omdat het middel geen rechtsvragen oproept die van belang zijn voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
Het arrest benadrukt dat de motiveringsverplichting van artikel 359, derde lid, Sv is nageleefd ondanks het ontbreken van een aanvulling op het financieel rapport dat ten grondslag lag aan de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Het arrest is gewezen door de vice-president en twee raadsheren en uitgesproken in een openbare terechtzitting op 20 december 2016.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt het arrest van het gerechtshof inzake ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.