Belanghebbende, een geregistreerde octrooigemachtigde, had in zijn aangifte inkomstenbelasting voor 2011 kosten voor een cursus en een rechtenstudie als scholingsuitgaven opgevoerd. De Inspecteur erkende slechts een deel van deze kosten als aftrekbaar. Het hof oordeelde dat de reis- en verblijfkosten zakelijk waren en dat het niet van belang was of belanghebbende een nieuwe bevoegdheid had verkregen, waardoor deze kosten aftrekbaar waren tot een maximum van €1500.
De Hoge Raad stelt dat het hof een onjuiste rechtsopvatting heeft gehanteerd door te veronderstellen dat het niet uitmaakt of de cursus en studie leiden tot het verkrijgen van een nieuwe bevoegdheid. Volgens vaste jurisprudentie onder de Wet IB 1964, die ook onder de Wet IB 2001 geldt, kunnen scholingskosten alleen als ondernemingskosten worden aangemerkt als zij strekken tot het op peil houden van reeds verworven vakkennis, en niet tot het uitbreiden van de vakbekwaamheid.
De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest van het hof en verwijst de zaak naar het Gerechtshof Amsterdam voor verdere behandeling en beslissing in lijn met deze uitleg. Er wordt geen proceskostenveroordeling uitgesproken.