Uitspraak
[X]te
[Z], Portugal (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de
Rechtbank Zeeland-West-Brabantvan 5 juli 2016, nr. BRE 15/6661, op het verzet van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank van 18 februari 2016.
Hoge Raad
In deze zaak heeft belanghebbende beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant betreffende een bestuursrechtelijk geschil. De Hoge Raad heeft de ontvankelijkheid van het cassatieberoep beoordeeld en geoordeeld dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen. Dit omdat belanghebbende klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.
De Hoge Raad heeft, na overleg met de Procureur-Generaal, het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie. Hiermee wordt bevestigd dat het cassatieberoep niet inhoudelijk wordt behandeld vanwege procedurele gronden.
Het arrest is gewezen door de raadsheren C. Schaap (voorzitter), Th. Groeneveld en J. Wortel, en in het openbaar uitgesproken op 9 december 2016. Deze beslissing bevestigt het belang van ontvankelijkheidstoetsen in cassatieprocedures binnen het bestuursrecht.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan voldoende belang of omdat de klachten niet tot cassatie kunnen leiden.