ECLI:NL:HR:2016:2790

Hoge Raad

Datum uitspraak
9 december 2016
Publicatiedatum
8 december 2016
Zaaknummer
16/03379
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 Awb
Verwijzingen
1 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep in cassatie wegens niet-betaling griffierecht

Belanghebbende heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag inzake de afwijzing van een verzoek om kwijtschelding van belastingvorderingen. Voor het beroep in cassatie moest griffierecht worden betaald. Belanghebbende deed een beroep op betalingsonmacht, maar heeft niet tijdig de benodigde verklaring omtrent afwezigheid van vermogen ingediend.

De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende meerdere malen aangetekend verzocht het griffierecht te voldoen en gewezen op de gevolgen van niet-betaling. Ondanks gedeeltelijke betaling en herhaalde verzoeken tot volledige betaling en toelichting, bleef volledige betaling uit en reageerde belanghebbende niet.

Op grond van artikel 8:41, lid 6, Awb verklaart de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk wegens niet-naleving van de betalingsverplichting. Er worden geen proceskosten opgelegd en het gedeeltelijk betaalde griffierecht wordt teruggegeven aan belanghebbende.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van het volledige griffierecht.

Uitspraak

9 december 2016
Nr. 16/03379
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de
Rechtbank Den Haagvan 9 juni 2016, nr. SGR 16/1069 V, op het verzet van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank betreffende de afwijzing van een verzoek om kwijtschelding als bedoeld in de Invorderingswet.

1.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie

Belanghebbende heeft ter zake van betaling van het verschuldigde griffierecht een beroep op betalingsonmacht gedaan.
De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende bij aangetekende brief van 11 augustus 2016 in de gelegenheid gesteld de daarbij gevoegde verklaring omtrent afwezigheid van vermogen binnen twee weken na dagtekening van die brief, volledig ingevuld en ondertekend aan de Hoge Raad terug te zenden. Volgens de gegevens van Track&Trace van PostNL is die brief afgeleverd op het door belanghebbende opgegeven adres. Belanghebbende heeft van de bij de laatstbedoelde brief geboden gelegenheid geen gebruik gemaakt.
Bij brief van 29 augustus 2016 heeft de griffier van de Hoge Raad het beroep op betalingsonmacht afgewezen. Tevens is in die brief meegedeeld dat bij niet tijdige betaling van het griffierecht het beroep in cassatie niet-ontvankelijk kan worden verklaard.
De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende bij aangetekende brief van 30 augustus 2016, die volgens de gegevens van Track&Trace van PostNL is afgeleverd op het door belanghebbende opgegeven adres, gewezen op de verschuldigdheid van griffierecht en voor de betaling een termijn van vier weken gesteld. Tevens is in die brief meegedeeld dat bij niet-tijdige betaling van het griffierecht het beroep in cassatie niet-ontvankelijk kan worden verklaard. Van het verschuldigde griffierecht heeft belanghebbende slechts een gedeelte voldaan.
De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende bij aangetekende brief van 3 oktober 2016, die volgens de gegevens van Track&Trace van PostNL is afgeleverd op het door belanghebbende opgegeven adres, in de gelegenheid gesteld mee te delen waarom het verschuldigde griffierecht niet is betaald. Belanghebbende heeft niet gereageerd.
Het beroep in cassatie moet op grond van artikel 8:41, lid 6, Awb derhalve niet-ontvankelijk worden verklaard.

2.Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

3.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet‑ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer C. Schaap als voorzitter, en de raadsheren Th. Groeneveld en J. Wortel, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 9 december 2016.
Het door belanghebbende als deel van het griffierecht betaalde bedrag van € 34 wordt door de Griffier van de Hoge Raad aan belanghebbende teruggegeven.