ECLI:NL:HR:2016:2715

Hoge Raad

Datum uitspraak
29 november 2016
Publicatiedatum
29 november 2016
Zaaknummer
15/02032
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 ROArt. 6 EVRM
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering gevangenisstraf wegens overschrijding redelijke termijn bij poging tot doodslag

De zaak betreft een poging tot doodslag in Rotterdam waarbij verdachte meerdere keren op het slachtoffer schoot nadat het slachtoffer midden in de nacht aan de deur was gekomen bij de vader van verdachte vanwege een conflict met de zus van verdachte.

De verdachte stelde cassatie in tegen het arrest van het Gerechtshof Den Haag, met als inzet onder meer het horen van een NFI-deskundige over schootsafstand en schietrichting. De Advocaat-Generaal adviseerde vernietiging van het arrest uitsluitend met betrekking tot de duur van de gevangenisstraf, en vermindering daarvan, terwijl het beroep voor het overige verworpen moest worden.

De Hoge Raad oordeelde dat het middel niet tot cassatie kon leiden en dat geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling aan de orde waren. Wel werd vastgesteld dat de redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6 EVRM Pro was overschreden, waardoor de gevangenisstraf van zeven jaar moest worden verminderd tot zes jaar en acht maanden.

De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof uitsluitend wat betreft de strafduur en wees het beroep voor het overige af. De uitspraak werd gedaan door de vice-president en twee raadsheren tijdens een openbare terechtzitting op 29 november 2016.

Uitkomst: De gevangenisstraf voor poging tot doodslag wordt verminderd tot zes jaar en acht maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

29 november 2016
Strafkamer
nr. S 15/02032
CB/EC
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 15 april 2015, nummer 22/000805-14, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft K.A. Krikke, advocaat te Baarn, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering van deze straf in de mate die de Hoge Raad gepast voorkomt en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2 Beoordeling van het middel
Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak

De verdachte bevindt zich in voorlopige hechtenis. De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van zeven jaren.

4.Slotsom

Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad geen andere dan de hiervoor onder 3 genoemde grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

5.Beslissing

De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
vermindert deze in die zin dat deze zes jaren en acht maanden beloopt;
verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de waarnemend griffier L. Nuy en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
29 november 2016.