Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
4.Slotsom
5.Beslissing
29 november 2016.
Hoge Raad
De zaak betreft een poging tot doodslag in Rotterdam waarbij verdachte meerdere keren op het slachtoffer schoot nadat het slachtoffer midden in de nacht aan de deur was gekomen bij de vader van verdachte vanwege een conflict met de zus van verdachte.
De verdachte stelde cassatie in tegen het arrest van het Gerechtshof Den Haag, met als inzet onder meer het horen van een NFI-deskundige over schootsafstand en schietrichting. De Advocaat-Generaal adviseerde vernietiging van het arrest uitsluitend met betrekking tot de duur van de gevangenisstraf, en vermindering daarvan, terwijl het beroep voor het overige verworpen moest worden.
De Hoge Raad oordeelde dat het middel niet tot cassatie kon leiden en dat geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling aan de orde waren. Wel werd vastgesteld dat de redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6 EVRM Pro was overschreden, waardoor de gevangenisstraf van zeven jaar moest worden verminderd tot zes jaar en acht maanden.
De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof uitsluitend wat betreft de strafduur en wees het beroep voor het overige af. De uitspraak werd gedaan door de vice-president en twee raadsheren tijdens een openbare terechtzitting op 29 november 2016.
Uitkomst: De gevangenisstraf voor poging tot doodslag wordt verminderd tot zes jaar en acht maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn.