ECLI:NL:HR:2016:2708

Hoge Raad

Datum uitspraak
25 november 2016
Publicatiedatum
25 november 2016
Zaaknummer
15/03779
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 RO
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verdeling gemeenschap na echtscheiding en bijdrageplicht man in kosten niet-echtelijke woning

Deze zaak betreft een geschil tussen ex-echtgenoten over de verdeling van de huwelijksgemeenschap na hun echtscheiding, met name de bijdrageplicht van de man in de kosten van financiering en onderhoud van een niet-echtelijke woning.

De procedure begon bij de rechtbank Utrecht met meerdere vonnissen tussen 1992 en 2011, gevolgd door diverse arresten van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden tussen 2013 en 2015. De vrouw stelde beroep in cassatie in tegen het arrest van 14 april 2015 van het hof.

De Hoge Raad heeft het cassatieberoep van de vrouw verworpen. De klachten van de vrouw leiden niet tot cassatie en behoeven geen nadere motivering omdat zij niet tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling leiden. De kosten van het cassatiegeding worden ieder door de eigen partij gedragen.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de vrouw wordt verworpen en het arrest van het hof blijft in stand.

Uitspraak

25 november 2016
Eerste Kamer
15/03779
EV/JS
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[de vrouw],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKSTER tot cassatie,
advocaat: mr. H.J.W. Alt,
t e g e n
[de man],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: mr. R.K. van der Brugge.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de vrouw en de man.

1.Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de vonnissen in de zaak 1385 /HF ZA 91-1352 van de rechtbank te Utrecht van 9 december 1992, 20 april 1994, 2 april 2003, 23 november 2005, 27 september 2006, 1 november 2006, 12 december 2007, 30 januari 2008, 6 juli 2011 en 28 december 2011;
b. de arresten in de zaak 200.096.300 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 14 mei 2013, 10 december 2013 en 14 april 2015, aangevuld bij arrest van 2 juni 2015.
De arresten van het hof zijn aan dit arrest gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof van 14 april 2015 heeft de vrouw beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De man heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal strekt tot verwerping van het beroep.
De advocaat van de vrouw heeft bij brief van 7 oktober 2016 op die conclusie gereageerd.

3.Beoordeling van het middel

De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
compenseert de kosten van het geding in cassatie aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, G. Snijders en C.E. du Perron, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op
25 november 2016.