ECLI:NL:HR:2016:2706

Hoge Raad

Datum uitspraak
25 november 2016
Publicatiedatum
25 november 2016
Zaaknummer
15/04197
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 RO
Verwijzingen
3 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling ontvankelijkheid en cassatieberoep in contractenrechtelijke zaak over aanneming en exoneratiebeding

In deze zaak staat een geschil centraal over de toepasselijkheid van de Metaalunievoorwaarden en de uitleg van een exoneratiebeding in een aannemingsovereenkomst. Eiseres, een onderneming, had een procedure gevoerd tegen Achmea Schadeverzekeringen N.V. en een tweede verweerster.

De zaak doorliep diverse instanties, waaronder de rechtbank ’s-Hertogenbosch en het gerechtshof ’s-Hertogenbosch. Het hof deed op 21 april 2015 uitspraak, waartegen eiseres cassatie instelde bij de Hoge Raad.

De Hoge Raad oordeelde dat eiseres niet-ontvankelijk was in haar cassatieberoep voor zover dit gericht was tegen de tweede verweerster, omdat zij geen klachten had aangevoerd tegen de oordelen van het hof over de rechtsverhouding met deze partij. Voor het overige verwierp de Hoge Raad het cassatieberoep. Tevens werd eiseres veroordeeld in de proceskosten.

Deze uitspraak bevestigt de strikte toepassing van art. 81 lid 1 RO Pro betreffende ontvankelijkheid en benadrukt het belang van het aanvoeren van klachten tegen alle betrokken partijen in cassatieprocedures.

Uitkomst: Eiseres wordt niet-ontvankelijk verklaard in haar cassatieberoep tegen de tweede verweerster en het beroep wordt voor het overige verworpen.

Uitspraak

25 november 2016
Eerste Kamer
15/04197
EE/JS
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[eiseres],
gevestigd te [vestigingsplaats],
EISERES tot cassatie,
advocaat: mr. H.J.W. Alt,
t e g e n
1. ACHMEA SCHADEVERZEKERINGEN N.V.,
gevestigd te Apeldoorn,
2. [verweerster 2],
gevestigd te [vestigingsplaats],
VERWEERSTERS in cassatie,
advocaten: mr. B.T.M. van der Wiel en mr. D.A. van der Kooij.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiseres] respectievelijk Achmea en [verweerster 2].

1.Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de vonnissen in de zaak C/01/249927/HA ZA 12-639 van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 12 september 2012 en van de rechtbank Oost-Brabant van 4 september 2013 en 26 februari 2014;
b. het arrest in de zaak HD 200.143.838/01 van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 21 april 2015.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft [eiseres] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Achmea heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. [verweerster 2] heeft primair geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring en subsidiair tot verwerping. [eiseres] heeft in het niet-ontvankelijkheidsincident geconcludeerd tot verwerping.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal E.B. Rank-Berenschot strekt tot niet-ontvankelijkheid van [eiseres] in het cassatieberoep voor zover gericht tegen [verweerster 2], en voor het overige tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaat van [eiseres] heeft bij brief van 14 oktober 2016 op die conclusie gereageerd.

3.Beoordeling van de ontvankelijkheid

[eiseres] heeft geen klachten aangevoerd tegen de oordelen van het hof ter zake van de rechtsverhouding tussen [eiseres] en [verweerster 2]. [eiseres] dient dan ook in haar cassatieberoep tegen [verweerster 2] niet-ontvankelijk te worden verklaard.

4.Beoordeling van het middel

3. De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO Pro, geen nadere motivering nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

5.Beslissing

De Hoge Raad:
verklaart [eiseres] niet-ontvankelijk in haar cassatieberoep tegen [verweerster 2];
verwerpt het beroep voor het overige;
veroordeelt [eiseres] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Achmea en [verweerster 2] begroot op € 6524,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien [eiseres] deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, C.E. du Perron en M.J. Kroeze, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op
25 november 2016.