Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Beoordeling van de overige middelen
4.Slotsom
5.Beslissing
22 november 2016.
Hoge Raad
De Hoge Raad heeft op 22 november 2016 uitspraak gedaan in een cassatiezaak waarin de verdachte was veroordeeld voor belaging, bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht en eenvoudige belediging. Het hof had een gevangenisstraf van 376 dagen opgelegd, waarvan 180 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof ten onrechte een proeftijd van drie jaren had vastgesteld, omdat volgens het toen geldende artikel 14b, tweede lid (oud) Sr, in verbinding met artikel 14c, eerste lid (oud) Sr, de proeftijd maximaal twee jaren kon bedragen. De Hoge Raad herstelde deze fout door de proeftijd te bepalen op twee jaren.
De overige middelen van cassatie werden verworpen omdat deze geen aanleiding gaven tot vernietiging. De Hoge Raad vernietigde het bestreden arrest uitsluitend voor wat betreft de proeftijd en bevestigde het overige vonnis. De uitspraak werd gedaan door de vice-president en twee raadsheren, in aanwezigheid van de griffier.
Uitkomst: De proeftijd wordt door de Hoge Raad gecorrigeerd van drie naar twee jaren.