Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
22 november 2016.
Hoge Raad
De zaak betreft een beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden over een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De Hoge Raad vernietigde eerder het vonnis van het hof en verwees de zaak terug. In het vervolgproces vroeg de raadsman van de betrokkene om schorsing wegens gezondheidsklachten, waarna het hof het onderzoek opschortte.
Bij de uitspraak van 7 augustus 2015 bevestigde het hof het vonnis van de rechtbank en stelde het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op 2.632 euro. Het hof constateerde een overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep van circa twee maanden, maar matigde de betalingsverplichting tot 2.500 euro vanwege de beperkte overschrijding en de lange duur van de totale procedure.
De Hoge Raad herhaalt dat het oordeel van de feitenrechter over de redelijke termijn in cassatie slechts beperkt kan worden getoetst op onjuiste rechtsopvatting en onbegrijpelijkheid. Het hof had terecht meegewogen dat de procedure was geschorst op verzoek van de raadsman. Het oordeel over de beperkte overschrijding is niet onbegrijpelijk. Het cassatiemiddel faalt en het beroep wordt verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt het oordeel van het hof over de beperkte overschrijding van de redelijke termijn.