Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Slotsom
4.Beslissing
22 november 2016.
Hoge Raad
De verdachte werd door het hof bewezen verklaard betrokken te zijn bij een hennepkwekerij in een pand aan de [a-straat 1] te Den Haag, op grond van diverse bewijsmiddelen zoals verklaringen, peilbakengegevens, telefoontaps en proces-verbaal van binnentreden.
Het hof baseerde zich mede op een verklaring die de raadsman van een medeverdachte in eerste aanleg ter terechtzitting had gedaan, waarin de betrokkenheid van de verdachte werd besproken. De medeverdachte zelf nam in hoger beroep geen afstand van deze verklaring.
De Hoge Raad oordeelt dat een verklaring van een raadsman ter terechtzitting niet als wettig bewijsmiddel kan worden aangemerkt, ook niet indien de medeverdachte deze niet weerspreekt. Tevens was het hof in strijd met art. 359 lid 3 Sv Pro door niet de inhoud van een proces-verbaal van sporenonderzoek te vermelden.
Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest van het hof voor zover het betrekking heeft op de bewezenverklaring en strafoplegging en wijst de zaak terug naar het hof voor een nieuwe beoordeling van het hoger beroep met inachtneming van deze regels.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde behandeling.