Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Beoordeling van het vierde middel
4.Slotsom
5.Beslissing
8 november 2016.
Hoge Raad
De zaak betreft een gewapende roofoverval op een juwelierszaak in Rijnsburg waarbij de verdachte werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijf jaar. De verdachte stelde cassatie in tegen het arrest van het Gerechtshof Den Haag van 17 juli 2014. De advocaat-generaal adviseerde vernietiging van het arrest voor wat betreft de strafoplegging en vermindering van de straf.
De Hoge Raad beoordeelde de middelen van cassatie en oordeelde dat de eerste drie middelen niet tot cassatie konden leiden. Het vierde middel klaagde terecht over de overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM, omdat de stukken te laat door het hof waren ingezonden en de Hoge Raad meer dan twee jaar na het instellen van het cassatieberoep uitspraak deed.
Hierdoor werd de redelijke termijn overschreden, hetgeen leidde tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van vijf jaren naar vier jaar en zes maanden. De rest van het beroep werd verworpen. De Hoge Raad vernietigde het arrest uitsluitend voor de duur van de straf en bevestigde het verder.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd van vijf jaar naar vier jaar en zes maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn.