In deze zaak is een geschil ontstaan over de berekening van de goodwillvergoeding na de beëindiging van een samenwerkingsverband tussen partijen, waarbij de maatschap en verweerders betrokken waren. De maatschap betwistte de door verweerders gemaakte berekeningen, maar leverde volgens het hof onvoldoende onderbouwing, waardoor het hof de door verweerders berekende bedragen als uitgangspunt nam.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de maatschap haar betwisting onvoldoende had onderbouwd, met name ten aanzien van een productie (H8) die wel degelijk een toegankelijke berekening bevatte. Hierdoor is het arrest van het hof vernietigd en is de zaak terugverwezen naar een ander gerechtshof voor verdere behandeling.
Daarnaast is eiser 2 niet-ontvankelijk verklaard in zijn beroep. De Hoge Raad veroordeelt verweerders in de kosten van het cassatiegeding. De zaak betreft een complexe beoordeling van bewijs en procesrechtelijke aspecten rondom de onderbouwing van financiële vorderingen na beëindiging van een partnerovereenkomst.