ECLI:NL:HR:2016:2631

Hoge Raad

Datum uitspraak
18 november 2016
Publicatiedatum
17 november 2016
Zaaknummer
15/04985
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatieBesluit proceskosten bestuursrecht
Verwijzingen
3 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt hofuitspraak over vergoeding immateriële schade wegens termijnoverschrijding in vennootschapsbelastingzaak

Belanghebbende, een besloten vennootschap, was in geschil met de Staatssecretaris van Financiën over een aanslag vennootschapsbelasting en de daarbij gegeven beschikking inzake heffingsrente over het jaar 1998. Na uitspraak van de rechtbank en het gerechtshof, stelde belanghebbende cassatieberoep in tegen het arrest van het hof.

De Hoge Raad beoordeelde vier middelen van cassatie. Drie middelen werden verworpen omdat zij niet tot cassatie konden leiden en geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling bevatten. Het vierde middel slaagde op grond van een eerder gewezen arrest in een soortgelijke zaak tussen dezelfde partijen.

De Hoge Raad vernietigde het hofarrest voor zover het de beslissing betrof over de vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. De zaak werd terugverwezen naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden voor verdere behandeling van dat verzoek. Tevens werd de Staatssecretaris veroordeeld in de proceskosten van het cassatiegeding en werd belanghebbende het betaalde griffierecht vergoed.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt gegrond verklaard, het hofarrest vernietigd voor zover het de immateriële schadevergoeding betreft, en de zaak wordt terugverwezen.

Uitspraak

18 november 2016
Nr. 15/04985
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
[X] B.V.te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof 's-Hertogenboschvan 17 september 2015, nr. 10/00879, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nr. AWB 07/813) betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 1998 opgelegde aanslag in de vennootschapsbelasting en de daarbij gegeven beschikking inzake heffingsrente.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld en daarbij vier middelen voorgesteld.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

2.Beoordeling van de middelen

2.1.
De middelen 1, 2 en 3 kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu die middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
2.2.
Middel 4 slaagt op de gronden die zijn vermeld in het heden in de zaak met nummer 15/04983 tussen dezelfde partijen uitgesproken arrest van de Hoge Raad.

3.Proceskosten

De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de zaken met de nummers 15/04909, 15/04910, 15/04983, 15/04984, 15/04986 en 15/04992 met de onderhavige zaak samenhangen in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof, voor zover het betreft de beslissing op het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn,
verwijst het geding voor de behandeling van dat verzoek naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden,
gelast dat de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht ten bedrage van € 497, en
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op een zevende van € 1488, derhalve € 212,58, voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren P.M.F. van Loon en L.F. van Kalmthout, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 18 november 2016.