Belanghebbende, een besloten vennootschap, had beroep ingesteld tegen een uitspraak van het gerechtshof 's-Hertogenbosch inzake aanslag vennootschapsbelasting 2001, boetebeschikkingen en heffingsrente. De Hoge Raad behandelde het cassatieberoep tegen het hofarrest van 17 september 2015.
De Hoge Raad verwierp drie van de vier cassatiemiddelen zonder nadere motivering omdat deze geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling betroffen. Het vierde middel slaagde echter op basis van een gelijktijdig gewezen arrest in een verwante zaak (nr. 15/04909).
De Hoge Raad vernietigde het hofarrest voor zover het betrekking had op de beslissing over vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. De zaak werd verwezen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden voor verdere behandeling van dat verzoek.
Daarnaast werd de Staatssecretaris van Financiën veroordeeld in de proceskosten van het cassatiegeding, inclusief vergoeding van het betaalde griffierecht en een deel van de kosten voor beroepsmatige rechtsbijstand.
Het arrest werd uitgesproken door de vice-president Overgaauw en raadsheren van Loon en van Kalmthout op 18 november 2016.