Belanghebbende, een vennootschap binnen het [X]-concern, gebruikte in 2005 Slowaakse arbeidskrachten voor betonvlecht- en laswerkzaamheden. Met deze arbeidskrachten werden overeenkomsten van onderaanneming gesloten. Het geschil betrof de vraag of er sprake was van fictieve dienstbetrekkingen tussen belanghebbende en de Slowaken, wat gevolgen had voor loonbelastingheffing.
Het hof oordeelde dat er geen privaatrechtelijke dienstbetrekking bestond omdat geen gezagsverhouding was aangetoond en de Slowaken niet verplicht waren persoonlijk arbeid te verrichten. De Hoge Raad stelt echter dat het hof onjuist heeft geoordeeld door te vereisen dat de verplichting tot persoonlijk arbeid verrichten contractueel moest zijn vastgelegd, terwijl volgens de wetsgeschiedenis en eerdere jurisprudentie voldoende is dat feitelijk persoonlijk arbeid wordt verricht.
De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest van het hof, behoudens de beslissingen over de boetebeschikking en proceskosten, en verwijst de zaak naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch voor een nieuwe beoordeling van de fictieve dienstbetrekking en de overige geschilpunten. De boetebeschikking blijft in stand omdat belanghebbende een pleitbaar standpunt heeft ingenomen.
De Hoge Raad acht geen aanleiding voor proceskostenveroordeling en spreekt het arrest uit op 18 november 2016.