Belanghebbende, een B.V., werd aansprakelijk gesteld voor nageheven loonbelasting en premie volksverzekeringen over de periode 1998-2001 op grond van de Invorderingswet 1990. Het Gerechtshof 's-Hertogenbosch bevestigde deze aansprakelijkstelling in hoger beroep.
Belanghebbende stelde in cassatie onder meer dat de aansprakelijkstelling niet in stand kon blijven voor zover de belastingschuld later door andere aansprakelijkgestelden was voldaan. De Hoge Raad oordeelde dat de juistheid van de beschikking tot aansprakelijkstelling moet worden beoordeeld op het moment van het nemen van die beschikking en dat latere betalingen door andere aansprakelijkgestelden hieraan niets afdoen.
Daarnaast klaagde belanghebbende dat het hof ten onrechte niet had beslist op haar verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. De Hoge Raad stelde vast dat een dergelijk verzoek geen nadere motivering behoeft en dat het hof dit verzoek had moeten behandelen. Daarom vernietigde de Hoge Raad het arrest voor zover het dit verzoek betrof en verwees de zaak naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden voor verdere behandeling.
Tenslotte werd de Staatssecretaris van Financiën veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en de proceskosten van belanghebbende in cassatie.