Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de middelen
3.Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
4.Slotsom
5.Beslissing
15 november 2016.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een uitspraak van de rechtbank Rotterdam waarin de uitlevering van een persoon aan de Republiek Servië werd toegestaan ter strafvervolging. De rechtbank had de uitlevering toelaatbaar verklaard voor "de feiten omschreven in het uitleveringsverzoek" zonder een duidelijke opsomming van die feiten.
De Hoge Raad oordeelt dat dit niet voldoet aan de eis van artikel 28, derde lid, van de Uitleveringswet, die vereist dat de rechter in zijn uitspraak de feiten waarvoor uitlevering kan worden toegestaan, voldoende duidelijk vermeldt. Noch de bestreden uitspraak, noch het uitleveringsverzoek bevatte een overzicht van de feiten.
De Hoge Raad herstelt dit verzuim ambtshalve door de uitlevering toelaatbaar te verklaren voor de feiten zoals omschreven in het bij het uitleveringsverzoek overgelegde stuk "Order for Investigation of the Prosecutor's Office for Organized Crime KTI 37/15" van 15 december 2015. Tevens voegt de Hoge Raad toe dat de feiten naar Nederlands recht kwalificeren als overtreding van artikel 11b van de Opiumwet.
Het beroep in cassatie wordt voor het overige verworpen. De uitspraak is gewezen door de vice-president en twee raadsheren, en uitgesproken in een openbare terechtzitting op 15 november 2016.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt ambtshalve het vonnis wegens onvoldoende feitelijke omschrijving en verklaart de uitlevering toelaatbaar voor de omschreven feiten.