Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Slotsom
4.Beslissing
8 november 2016.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam waarin verdachte werd veroordeeld voor het opzettelijk voorhanden hebben van voorwerpen ter voorbereiding van diefstal gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning door middel van inklimming.
De bewezenverklaring steunde op verklaringen van getuigen die verdachte zagen met een ladder en zaklamp bij een woning, de vondst van een ladder, handschoenen en zaklampen in het voertuig van verdachte, en de verklaring van verdachte zelf dat hij een tip had gekregen over een wietplantage en de woning had onderzocht.
De Hoge Raad oordeelt echter dat uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat de diefstal daadwerkelijk gedurende de nachtrust is voorbereid, mede omdat verdachte verklaarde de planten niet direct die avond te willen meenemen en slechts wilde controleren of de tip klopte.
Daarom is het arrest van het hof niet naar de eis der wet met redenen omkleed en wordt het vernietigd. De zaak wordt terugverwezen naar het hof Amsterdam voor hernieuwde berechting en beslissing.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting.