ECLI:NL:HR:2016:2345

Hoge Raad

Datum uitspraak
14 oktober 2016
Publicatiedatum
13 oktober 2016
Zaaknummer
16/03201
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 426a lid 1 Rv
Verwijzingen
4 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring wegens ontbreken handtekening advocaat in cassatieproces

In deze zaak heeft de Hoge Raad het beroep in cassatie van verzoeker behandeld. Het geding in feitelijke instanties bestond uit een vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant en twee arresten van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch. Verzoeker stelde beroep in cassatie in tegen deze arresten.

De Advocaat-Generaal adviseerde tot niet-ontvankelijkverklaring van verzoeker omdat het ingediende verzoekschrift niet was ondertekend door een advocaat die is toegelaten tot de Hoge Raad, zoals vereist volgens artikel 426a lid 1 Rv. Hoewel het verzuim hersteld had kunnen worden door het verzoekschrift binnen twee weken opnieuw in te dienen met de juiste handtekening, maakte verzoeker hier geen gebruik van.

De Hoge Raad oordeelde dat dit gebrek niet hersteld was en verklaarde verzoeker daarom niet-ontvankelijk in zijn cassatieberoep. Het arrest werd uitgesproken op 14 oktober 2016 door de raadsheren van de Hoge Raad.

Uitkomst: Verzoeker wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van de handtekening van een advocaat bij de Hoge Raad onder het verzoekschrift.

Uitspraak

14 oktober 2016
Eerste Kamer
16/03201
LZ/EE
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[verzoeker],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr. O.P.N.M. Tennebroek.
Verzoeker zal hierna ook worden aangeduid als [verzoeker].

1.Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. het vonnis in de zaak C/02/14/573 R van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 3 december 2015;
b. de arresten in de zaak 200.181.826/01 van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 april 2016 en 16 juni 2016.
De arresten van het hof zijn aan dit arrest gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen de arresten van het hof heeft [verzoeker] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De conclusie van de Advocaat-Generaal G.R.B. van Peursem strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van verzoeker in zijn cassatieberoep.

3.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

Het op 22 juni 2016 ingekomen verzoekschrift voldoet niet aan de eisen van art. 426a lid 1 Rv, omdat het niet is ondertekend door een advocaat bij de Hoge Raad. Dit verzuim kan worden hersteld door hetzelfde verzoekschrift binnen twee weken na binnenkomst ter griffie van de Hoge Raad opnieuw in te dienen, maar nu ondertekend door een advocaat bij de Hoge Raad. Van deze mogelijkheid is geen gebruik gemaakt. Dit brengt mee dat [verzoeker] in zijn beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart [verzoeker] niet-ontvankelijk in zijn beroep.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, C.A. Streefkerk en M.J. Kroeze, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op
14 oktober 2016.