ECLI:NL:HR:2016:2343

Hoge Raad

Datum uitspraak
14 oktober 2016
Publicatiedatum
13 oktober 2016
Zaaknummer
16/03246
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 ROArt. 285 lid 1 onder f FwArt. 288 lid 2 aanhef en onder d Fw
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing cassatieverzoek wegens niet volgen minnelijk traject in WSNP

In deze zaak heeft de Hoge Raad het cassatieberoep van verzoekster verworpen. De zaak betreft een verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen (WSNP). De rechtbank Rotterdam en het gerechtshof Den Haag hadden eerder het verzoek afgewezen omdat niet was voldaan aan de vereiste van het volgen van een minnelijk traject zoals bedoeld in artikel 285 lid 1 onder Pro f van de Faillissementswet.

Daarnaast was de schuldsaneringsregeling reeds eerder binnen de termijn van tien jaar op verzoekster van toepassing geweest, zoals bepaald in artikel 288 lid 2 onder Pro d van de Faillissementswet. De Hoge Raad oordeelde dat de klachten van verzoekster niet tot cassatie konden leiden en dat geen nadere motivering noodzakelijk was omdat de klachten geen rechtsvragen opriepen die van belang zijn voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.

Het arrest van het gerechtshof en het vonnis van de rechtbank werden aan het arrest gehecht. De conclusie van de Advocaat-Generaal strekte tot verwerping van het cassatieberoep, hetgeen door de Hoge Raad is gevolgd. Het arrest werd gewezen door de raadsheren Van Buchem-Spapens, Heisterkamp, Tanja-van den Broek en in het openbaar uitgesproken door De Groot.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het verzoek tot toelating tot de WSNP afgewezen.

Uitspraak

14 oktober 2016
Eerste Kamer
16/03246
AS/EE
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[verzoekster],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKSTER tot cassatie,
advocaat: aanvankelijk mr. P.J.Ph. Dietz de Loos, thans mr. K. Aantjes.
Verzoekster zal hierna ook worden aangeduid als [verzoekster].

1.Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. het vonnis in de zaak C/10/496974/FT EA 16/574 van de rechtbank Rotterdam van 25 april 2016.
b. het arrest in de zaak 200.190.349/01 van het gerechtshof Den Haag van 21 juni 2016.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft [verzoekster] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Wuisman strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

3.Beoordeling van het middel

De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, A.H.T. Heisterkamp en T.H. Tanja-van den Broek, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op
14 oktober 2016.