Uitspraak
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de
Rechtbank Overijsselvan 3 september 2015, nr. AWB 15/1002, op het verzet van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank van 9 juli 2015.
Hoge Raad
In deze zaak heeft de Hoge Raad het beroep in cassatie van belanghebbende beoordeeld tegen eerdere uitspraken van de Rechtbank Overijssel. Het cassatieberoep betrof een verzetprocedure en werd ingediend tegen uitspraken van 3 september 2015 en 9 juli 2015.
De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen. Dit omdat de partij die het beroep instelde klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep, dan wel omdat de klachten niet tot cassatie kunnen leiden. Gezien artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en na advies van de Procureur-Generaal, werd het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaard.
Het arrest is in het openbaar uitgesproken op 14 oktober 2016 door de raadsheren C. Schaap (voorzitter), Th. Groeneveld en J. Wortel, in aanwezigheid van de waarnemend griffier F. Treuren.
Uitkomst: Het beroep in cassatie is niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan belang of kennelijke ongegrondheid.