ECLI:NL:HR:2016:2281

Hoge Raad

Datum uitspraak
7 oktober 2016
Publicatiedatum
6 oktober 2016
Zaaknummer
15/02208
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 ROArt. 8 EVRMArt. 551 Sv
Verwijzingen
7 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt proportionaliteitstoets bij ontruiming uitgeprocedeerde asielzoekers

Deze zaak betreft een kort geding over de voorgenomen strafrechtelijke ontruiming van een kraakpand waarin uitgeprocedeerde asielzoekers verblijven. De eisers stelden dat de bed-bad-broodregeling onvoldoende was als alternatief voor ontruiming. De procedure begon bij de voorzieningenrechter te Amsterdam, gevolgd door een arrest van het gerechtshof Amsterdam.

In cassatie stelde de Hoge Raad vast dat de klachten van de eisers niet tot cassatie konden leiden en dat er geen noodzaak was tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling. De Hoge Raad bevestigde daarmee de eerdere rechtspraak dat bij ontruimingen een proportionaliteitstoets dient plaats te vinden, mede op grond van artikel 8 EVRM Pro.

De Hoge Raad wees het beroep af en veroordeelde de eisers in de kosten van het cassatiegeding. Dit arrest sluit aan bij eerdere jurisprudentie over de toetsing van ontruimingen en de rechten van uitgeprocedeerde asielzoekers, waarbij het belang van een passend alternatief wordt meegewogen.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de voorgenomen ontruiming met toepassing van de proportionaliteitstoets.

Uitspraak

7 oktober 2016
Eerste Kamer
15/02208
EE/JS
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
1. [eiser 1],
wonende te [woonplaats],
2. [eiser 2],
wonende te [woonplaats],
EISERS tot cassatie,
advocaat: mr. M.A.R. Schuckink Kool,
t e g e n
de STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Veiligheid en Justitie),
zetelende te ’s-Gravenhage,
VERWEERDER in cassatie,
advocaten: mr. J.W.H. van Wijk en mr. M.M. van Asperen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] c.s. en de Staat.

1.Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. het vonnis in de zaak C/13/579586/KG ZA 15-49 van de voorzieningenrechter te Amsterdam van 20 februari 2015;
b. het arrest in de zaak 200.166.076/01 van het gerechtshof Amsterdam van 31 maart 2015.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof hebben [eiser] c.s. beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staat heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor de Staat toegelicht door zijn advocaten.
De conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal strekt tot verwerping van het beroep.

3.Beoordeling van de middelen

De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] c.s. in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Staat begroot op € 848,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.B. Bakels als voorzitter en de raadsheren C.A. Streefkerk, A.H.T. Heisterkamp, G. Snijders en G. de Groot, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.V. Polak op 7
oktober 2016.