Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Beoordeling van het tweede middel
4.Slotsom
5.Beslissing
4 oktober 2016.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch waarin een gevangenisstraf van twaalf jaren was opgelegd. De advocaat van verdachte stelde middelen van cassatie voor, waaronder een klacht over overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase.
De Hoge Raad oordeelt dat het eerste middel, gericht op een motiveringsklacht over de verwerping van het noodweer(exces)verweer, niet tot cassatie kan leiden. Het tweede middel, dat klaagt over de overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro, wordt gegrond verklaard vanwege te late verzending van stukken door het hof.
Als gevolg hiervan vernietigt de Hoge Raad het bestreden arrest uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf en vermindert deze van twaalf naar elf jaar en zes maanden. Het beroep wordt voor het overige verworpen. Het arrest is gewezen door de vice-president en twee raadsheren en uitgesproken op 4 oktober 2016.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd van twaalf jaren naar elf jaren en zes maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn.